brieven uit bosvoorde

Belgrado (5)

Het kan echt geen toeval meer zijn. In elk café, restaurant, koffiehuis, taveerne, kafana of wat dan ook waar ik binnenstap weerklinkt muziek uit de jaren ’80. George Michael, Queen, Sade, Duran Duran, Hey Nikita is it cold, I’m so excited and I just can’t hide it. Alsof er sinds het einde van de jaren ’80 in de popmuziek niets meer is gebeurd. Alsof er sinds het einde van de jaren ’80 in het algemeen niets meer is gebeurd.

Kun je de laatste twintig jaar uitgommen door obsessief naar het decennium ervoor te luisteren?

Ik zit koffie te drinken met Nataša, een dramaturge uit Sarajevo die onlangs meewerkte aan een productie over de Bosnische oorlog die hier in september op Bitef stond, zowat het bekendste theaterfestival in de regio. De voorstelling ging over het omgekeerde van vergeten, het tegengestelde van amnesie, over dwangmatig onthouden, herinneringsdrang. Hipermnezija was de titel.

Heerst er in Belgrado ook hypermnesie? Volgens Nataša proberen velen hier net heel hard hun best te doen om het recente verleden te negeren. Natuurlijk, ze zullen er wel eens iets over zeggen, een paar politieke kwesties duidelijk stellen, dat wel, maar dan meestal alleen om de toehoorders (en misschien ook henzelf) eraan te herinneren dat ze ook slachtoffers waren. Het stelt weinig voor. “Je kent dat wel, het gaat niet boven het niveau van een ruziënd koppel: jij verwijt me dit, en ik heb dat misschien toen gedaan, maar jij hebt wel eerst dit en dat gedaan. Blah, blah, blah.”

“I just called to say I love you” schalt ondertussen uit de luidsprekers.

“We zouden de feiten beter gewoon allemaal eens onder ogen zien, de dingen nemen zoals ze waren” zegt Nataša (die Servisch is en eigenlijk ook Bosnisch en een beetje Montenegrijns en ouders heeft in Kroatië en ooms en tantes in Engeland en in Australië en zelf in Belgrado woont en eigenlijk terug wil naar Sarajevo).

Hoe je ook probeert, het verleden van de jaren ‘90 kan je wellicht niet opzettelijk vergeten. Er is te veel dat eraan herinnert. Gisteren wandelde ik met Jelena door haar favoriete stadswijk, het prachtige en lichtjes mysterieuze Zemun. Jelena is een onderzoeksjournaliste uit Belgrado en schuwt in haar werk de zware thema’s niet. Ze was ooit oorlogscorrespondente in Bosnië voor het blad Vreme en nu schrijft  ze over oorlogsmisdadigers, de vluchtelingenproblematiek en massagraven. Maar daarover hadden we het niet. We spraken de hele tijd over het Zemun van nu, over de frisse bries boven de Donau die haar deed denken aan zeelucht en over de olijke tagger die op een gevel had geschreven: onze buurt, ons paradijs (naš kraj, naš raj).

Maar toen we terug naar het centrum wandelden moesten we het uiteindelijk toch weer even over de jaren ’90 hebben. We passeerden namelijk voorbij enkele gebouwen die in 1999 het doelwit waren geweest van de NAVO-bombardementen (“Bombed”: met een Servisch accent uitgesproken heeft het woord een lange, dalende o-klank, alsof er werkelijk iets instort). We wandelden eerst voorbij het voormalige commandogebouw van de luchtmacht en later voorbij de Chinese ambassade.

Dat luchtmachtgebouw is overigens erg merkwaardig: een knap staaltje architectuur uit de jaren ’30 dat nu grotendeels weer is hersteld. Aan de gevel hangt een enorm beeld dat Icarus voorstelt. En daar keek ik toch wel even verbaasd van op. Icarus als symbool voor de luchtmacht. Wie zou op dat briljante idee zijn gekomen? Hij hangt wel nog steeds in de lucht, deze Icarus, ondanks alles.

Belgrado (4)

Miki, Radovan en Nenad zijn er al. Het is een klein en donker appartementje waar we op een morgen zitten in Novi Sad, een beetje benauwend is het zelfs, maar buiten is het zo zonnig dat het lijkt alsof we de hitte zijn ontvlucht en hier in de koelte bij elkaar zitten. “Het is niet te geloven,” zegt Nenad terwijl hij een raam opengooit, “normaal gesproken geraak ik in december niet op mijn werk omdat mijn huis zit ingesneeuwd. En nu dit.” Dat werk is waar we zitten: het kantoortje van de Romastudentenvereniging (Udruženje Romskih Studenata), ondergebracht in een eenkamerflat in een grijze woonblok in het centrum van de stad.

De tafeltjes zijn tegen de muur geschoven. Er staan computers op met geopende excel sheets en worddocumenten, maar iedereen keert zich van het werk af om te praten. Er worden stoelen in een kring gezet en het water kookt voor thee en koffie. Enkele jongelui komen lichtjes aarzelend binnen, ze gaan zitten. De kring wordt groter gemaakt. Het wordt nog warmer. De jongeren zijn allemaal studenten aan de medische faculteit of scholieren die straks misschien geneeskunde gaan studeren aan de universiteit. Ze zijn afkomstig uit Romafamilies. Allemaal bemachtigden ze een studiebeurs van het Roma Education Fund. De Romastudentenvereniging biedt al enkele jaren extra ondersteuning aan die studenten. Ze volgen vandaag enkele workshops die de vereniging voor hen heeft georganiseerd.

“Twaalf jaren geleden, toen ik begon als student, was het bijzonder moeilijk om toegang te krijgen tot een universitaire opleiding,” zegt Miki, een van de stichtende leden van de organisatie. “Met mijn achtergrond was alles moeilijk. Ik moest bij manier van spreken al mijn best doen om bij de deur van de universiteit te geraken. Een locale Roma-activist heeft me toen geholpen”. Er blinkt een klein oorbelletje in zijn linkeroor. Hij is trots op ‘zijn’ vereniging, en hij wil het actieterrein ervan vergroten. Hij droomt ervan om alle Romastudenten in de streek te begeleiden, vooral degenen met talent voor biologie en chemie. Daar zitten vast toekomstige dokters bij. Hij wil met hun ouders en hun leraars spreken. Dat lijkt misschien een enorme taak, maar hij is er zeker van dat hij iedereen weet te vinden. “Iedereen kent mij inmiddels. Via via, zo werkt dat”. De jongeren knikken geestdriftig. Ja, het klopt zeggen ze, iedereen kent Miki.

“Waarom eigenlijk zoveel belang hechten aan geneeskunde,” vraag ik, “en niet aan geschiedenis of economie?” Radovan, een andere drijvende kracht achter de vereniging haalt zijn handen door zijn blinkende zwarte haar. “Goeie vraag,” zegt hij bedachtzaam. “We hebben het daar ook al veel over gehad. Maar, weet je, in de meeste Romafamilies is er toch vooral een grote nood aan betere gezondheidszorg. De rest volgt later wel. Neem die families die met hun karretjes het vuil ophalen en sorteren. Die mensen stellen zich bloot aan enorme risico’s. Als we wat meer Romadokters hebben, dan vinden ze misschien makkelijker de weg naar de gezondheidszorg.”

“Het heeft ook wel wat te maken met prestige”, vult Nenad aan. Hij is de directeur van de vereniging en een kleurrijke figuur. Hij is een socioloog, en met zijn haar in een staartje en zijn klein brilletje met ovalen glazen ziet hij er ook zo uit, maar hij houdt toch meer van muziek dan van sociologie. Jaren speelde hij basgitaar in een hardrockgroepje. Death metal. Tijdens optredens droeg hij vaak een gasmasker. Toxic was zijn bijnaam. “Dokter is nu eenmaal een prestigieus beroep”, zegt hij. “Net zoals advocaat. En er zijn simpelweg te weinig Romadokters en -verpleegsters. Mensen in onze maatschappij moeten leren beseffen dat Roma ook tot die beroepsklasse kunnen behoren.”

De omstandigheden waarin de meeste Roma in en rond Novi Sad moeten leven is ronduit deprimerend. Armoede, discriminatie, werkloosheid, noem maar op. Nenad en zijn kompanen beseffen dat ze aan de toestand die in de achterbuurten heerst niet meteen veel zullen kunnen veranderen. De vuilnisophalers en de families van de schrootkarretjes, die zullen daar nog wel even in hun zorgelijke situatie blijven vastzitten. Maar de toegang van sommige personen tot het hoger onderwijs vergemakkelijken, dat is toch al iets. Zeker als die mensen later ook iets kunnen betekenen voor de achterbuurten. “Al moet er ook wel eens nagedacht worden over de precieze langetermijneffecten van affirmatieve actie voor Roma in het onderwijs”, zegt hij. “De uiteindelijke bedoeling blijft wel dat reguliere studentenassociaties zich ook inzetten voor gemarginaliseerde groepen. Niet alleen wij moeten dat doen.”

De studenten vertrekken naar hun workshop, en er vallen weer enkele andere jongeren binnen. Deze keer zijn het de vrijwilligers. Een meisje met een gele jurk geeft bijles Engels aan Romaleerlingen in het lager middelbaar. “Hier,” zegt ze, “je moet niet met mij praten maar met mijn broer. Hij heet Jovan en hij geeft bijles wiskunde en is superslim, dat hou je niet voor mogelijk”. Jovan glimlacht de verlegen glimlach van een tiener en kijkt naar zijn schoenen. “Kom, Jovan”, zegt de zus, “vertel eens over die robot van jou.”

Jovan blijkt samen met drie maten van hem mee te doen aan Eurobot, een internationale wedstrijd voor jongeren met ambitie in robotica. Ze moeten een toestel maken dat op eigen kracht op een geprepareerd terrein van ongeveer twee vierkante meter een aantal voorwerpen verzamelt. Sommige voorwerpen zijn meer punten waard dan andere. Bepaalde objecten mag de robot niet aanraken. “Het komt erop aan de sensoren precies af te stellen en de hele zaak correct te programmeren.” Jovan draait zich om naar een van de computers en opent een document met een plannetje. De robot wordt telkens in het veld gelaten samen met een andere robot. “Het is net als bij tennis”, zegt Jovan. “De robot die de meeste punten ophaalt mag naar de volgende ronde.” De voorrondes zijn hier in Novi Sad. Later wil hij naar het internationale niveau. De grand slam. De robot moet vooral dat ene voorwerp kunnen vinden dat extra veel punten waard is. “De schat”, noemt hij het. “Als we de schat vinden dan geraken we misschien in Parijs.”

Jovans ogen glinsteren. Ik vraag me af of hij dat merkwaardige contrast ook ziet. Aan de ene kant: een robot die schatten ophaalt. Aan de andere kant: die primitieve stootkarretjes waarmee mensen hier in de stad afval en schroot verzamelen. Daar zit misschien wel familie van hem tussen. Voor amper wat geld sorteren en verkopen ze de opbrengst. Op schatten hoeven ze niet te hopen. Verder dan de achterbuurt geraken ze doorgaans niet.

Belgrado (3)

Hoe ik er terechtkwam is een lang verhaal, maar gisteren stond ik op een koude zolder in Novi Sad te kijken naar een enorm portret van Nikola Tesla, een schilderij van makkelijk drie op twee meter. Het was misschien ironisch bedoeld. De kunstenaar in kwestie – een jongen die Miloš heet en nog bij zijn moeder woont – had ook een schilderij van de paus gemaakt. En dat had hij, om over zijn gevoelens geen twijfel te laten bestaan, opgefleurd met wat porno.

Maar wat dacht hij over Tesla? En nog: wie was die Tesla ook alweer?

Nikola Tesla (1856-1943) is de man die de twintigste eeuw uitvond, zegt een toeristisch foldertje dat ik in de luchthaven van Belgrado meepikte, een luchthaven die naar hem is vernoemd. Een miskend Servisch genie, staat er ook. Na wat lezen op het internet moet ik concluderen dat het inderdaad verwonderlijk is dat de man niet bekender is. Want Tesla was niet alleen iemand die ontzettend veel uitvond, hij was ook het cliché van de gekke professor: visionair, onpeilbaar, eigenzinnig, hyperactief, onberekenbaar en een sukkel in zaken. Op het einde van de 19de eeuw reisde hij als arme drommel naar New York, hij maakte er carrière, werd steenrijk, ging bankroet, en stierf vervolgens totaal verarmd en vereenzaamd in een kamer van het New Yorkerhotel, waar hij al een tijdje op krediet woonde. Hij had er ondertussen wel voor gezorgd dat overal ter wereld elektriciteit nu werd toegeleverd in wisselstroom. Een heroïsche strijd had hij hiervoor moeten voeren met Thomas Edison, die koppig aan gelijkstroom vasthield. Tesla won. Ook een paar andere van zijn patenten hebben onze wereld gevormd. De inductiemotor (bekend van de wasmachine), de tl-buis (ook op het vlak van lampen wedijverde hij met Edison), de afstandsbediening, de transformatoren die je in televisie- en radiotoestellen terugvindt, seintoestellen voor radiogolven (ook wel bekend als de radio): hij heeft het allemaal uitgevonden. Andere snufjes van hem waren iets zotter. Een machine om aardbevingen te veroorzaken, een elektrische hond, een toestelletje om contact te leggen met buitenaardse wezens, dat soort dingen. In de vroege twintigste eeuw wilde hij via enkele reusachtige zendmasten de hele wereld draadloos van elektriciteit voorzien. Dat schijnt technisch mogelijk te zijn. Er bestaan nog tekeningen van. Sterker: ze zijn de bewuste antennes zelfs beginnen bouwen (op Long Island). Maar de werkzaamheden werden gestaakt toen in 1912 geldschieter J.P. Morgan zich opeens afvroeg of dat eigenlijk ooit wel return on investment zou opleveren, dat gratis en in het wild rondsturen van elektriciteit naar jan en alleman.

Ook nog interessant: Tesla had een totale obsessie met het getal drie en hield zich ver van insecten en vrouwen. Van insecten vreesde hij rare ziektes te krijgen en vrouwen idealiseerde hij tot in het absurde. Een jubelende biograaf schreef in 1948: “He eliminated love from his life; eliminated women even from his thoughts. He went beyond Plato.”

Maar Tesla zou om nog een andere reden beroemder moeten zijn dan hij is, namelijk omwille van zijn enorme recupereerbaarheid als nationaal symbool. Hij groeide op in een Servisch dorp dat vandaag in Kroatië ligt maar destijds tot Oostenrijk behoorde. Hij studeerde en verbleef lange tijden in Graz, Boedapest en Praag, verhuisde vervolgens naar Amerika, waar hij werd doodgeknuffeld door zowel de Servische als de Amerikaanse elite (Mark Twain was een goeie vriend en Orson Welles heeft ooit zijn leven verfilmd). In Amerika noemen ze hem een Amerikaan, in Boedapest een Europeaan, in Kroatië een Kroaat, en in Joegoslavië noemden ze hem een Joegoslaaf. Maar het is toch vooral in het huidige Servië dat men hem is beginnen opvoeren als een eigen nationale superheld at large. Hij heeft Belgrado in zijn hele leven maar een keer bezocht, en toch is hier het hele Tesla-archief ondergebracht en bevindt zich hier het grote Tesla-museum. Nu ja, groot. Ik ben eens binnengewandeld. Er zijn een paar leuke proefjes met bliksems, elektrische velden en hoge voltages (ik mocht een tl-buis vasthouden die vanzelf ging branden). Maar het summum van de tentoonstelling bleek toch het stoffelijk overschot van de man te zijn: een koperen urne die in een afzonderlijke, stille kamer onder een glazen stolp staat te rusten. Ironische genoeg is het zachte licht dat erover schijnt afkomstig uit een gloeilamp.

Op die zolder in Novi Sad waar ik dus gisteren naar dat grote portret stond te kijken had ik nog willen vragen aan Miloš – die een vriend is van de man met wie ik de hele dag door Novi Sad had rondgetrokken en die mij had gezegd dat ik het werk van deze nog onbekende kunstenaar echt moest zien – of hij misschien net de ironie van het Tesla-patriottisme zichtbaar had willen maken. Of hij met dit kunstwerk die Servische recuperatie aan de kaak had willen stellen. Maar ik had niemand aan wie ik het kon vragen. Miloš was inmiddels al de deur uit. Vertrokken naar zijn nieuwe vriendinnetje. ‘Miloš is in love’, zei zijn moeder, ons uitwuivend. Haar jonge hond blafte nog naar onze autobanden toen we wegreden. Nee, geen platonisch gedoe voor Miloš.

Belgrado (2)

HET IS WERELDAIDSDAG en op het Plein van de Republiek loopt een wit konijn rond. Het diertje weet kennelijk waar het naartoe moet. Tussen de massa door baant het zich een tamelijk rechte weg naar de overkant.

Niemand die zich van het konijn veel aantrekt, want wat verderop staat duidelijk iets belangrijks te gebeuren. Er komt een deejay een podium opgewandeld. Hij knikt ritmisch met zijn hoofd, rommelt wat in platenbakken, zet zich aan de knoppen en even later trillen alle etalageramen ritmisch mee met mijn ontploffende trommelvliezen. Naast het podium verzamelen zich wat mensen rond enkele stalletjes waar geen oordopjes maar wel gratis condooms worden uitgedeeld. Zeg maar: waar condooms aan de man worden gebracht, want het is opvallend dat er zo goed als alleen maar mannen aan die kraampjes staan te dringen. Sommigen dragen indrukwekkende parka’s. Het uitdelen is dan weer iets dat steevast door jonge vrouwen wordt gedaan. Ze hebben lang blond haar en soms een vlecht.

De organisatie van deze campagne is in handen van JAZAS, een NGO die al sinds het begin van de jaren ’90 seksuele gezondheid promoot. Bewustmaking is nodig, ook in Belgrado, maar de awarenesskraampjes moeten het wel een beetje afleggen tegen de commercie. Iemand aan een tafeltje van het Rode Kruis staat wat geforceerd te glimlachen. Er komt maar af en toe eens iemand kijken. Spijtig voor de mooi gesorteerde folders. Er is ook een tentje waar iemand infoblaadjes ronddeelt over gelijke rechten. Ook daar een bevroren glimlach en weinig volk. Bij de blonde fotomodellen die condooms met reclamefolders rondstrooien, daar vriest het duidelijk minder. Daar blijft alles natuurlijk binnen de bekende rolverdelingen.

Iemand zegt me later: dat moet je niet geringschatten, want voor Servië is dit toch al heel wat. Dat dit kan, en dat het zo zorgeloos kan, is al een hele stap vooruit. Campagne voeren rond eender welk seksueel getint thema ligt hier namelijk gevoelig. Vergeet niet dat de Pride Parade in Belgrado afgelopen september nog werd afgelast uit angst voor rellen.

Commotie veroorzaken rond seks: in deze regio is het kennelijk nog erg makkelijk. Uit Montenegro kwam laatst een veelbesproken campagneclipje. Je ziet een doordeweekse woonkamer: enkele jongemannen hangen op de bank en volgen op televisie een voetbalmatch, bierflesjes in de hand. En dan opeens: een doelpunt. Juichend springen ze recht – de beelden worden slow motion – de vreugde barst los, armen in de lucht, ze omhelzen elkaar, en twee van de mannen beginnen elkaar heftig op de mond te kussen. Je zou denken: leuke clip, goed gevonden. Vrede is: zoenen tijdens het voetbal. In Montenegro denken ze daar gemiddeld toch nogal anders over.  Ik hoorde zeggen dat de twee acteurs in kwestie Podgorica toch maar eventjes zijn ontvlucht. Voor de veiligheid. Als de doodsbedreigingen ophouden keren ze misschien terug.

Maar wacht: ik wil hier niet beweren dat op de Balkan, of in een stad als Belgrado – toch een beetje het New York van de regio – te weinig progressief volk zou rondlopen. Verre van. Maar er zijn ook harde tegenstanders. Als het over dat soort thema’s gaat, is het dan toch vooral zaak om de weerbarstige middengroep, de ‘moveable middle’, naar de goede kant te doen opschuiven. En dat gaat niet vanzelf. Dat vergt slim protesteren, subtiel maar krachtig ondermijnen van vooroordelen, trefzeker en creatief herkaderen van morele principes.

PS: Overigens, op vlak van vindingrijkheid zit het hier anders wel goed. Zie bijvoorbeeld deze originele protestactie tegen de leegstand van enkele mooie oude bioscopen in de binnenstad. Het nieuwe opschrift – onlangs ’s nachts aangebracht boven de ingang van deze verlaten cinemazaal – leest: “Vandaag geen voorstelling. Kom gisteren.”

danas

Al zie ik hier ook wel eens een boodschap waarvan ik denk: is dat niet iets te creatief en subtiel? Dit staaltje street art vond ik op een vervallen plein niet ver van Hotel Moskva. Dat bloedend hart, die gloeilamp, dat pistool, die vlinders, die pijp. Het wil allemaal vast wel iets zeggen. Maar wat?

Belgrado (1)

DAAR ERGENS BENEDEN, DAAR moet wel degelijk Belgrado liggen, maar wie uit het vliegtuigraampje kijkt, ziet alleen maar mist. Alles is ondoorzichtig wit, de nevel heerst, de stad is toegedekt. Vanuit de cockpit spreekt de piloot de passagiers toe, zijn stem klinkt metaalachtig. “Ladies and gentlemen, there is no reason to worry about the weather conditions in Belgrade. We need 200 meter of visibility to land, and at this moment the visibility is 400 meter”. Daarop volgt een wat langere boodschap in het Servisch, met veel geruis en onderbrekingen. Het metaal wordt ijzervijlsel. De hostesses halen autoritair de laatste lege bekertjes op, de riemen worden aangehaald, we beginnen te dalen. Nog geen tien minuten later maken we rustig contact met het asfalt, veren we gemoedelijk op en neer, en komen we met grote behoedzaamheid tot stilstand. Alsof we in een berg watten zijn geland. Nog wat later, wanneer ik het luchthavengebouw verlaat, probeer ik te gissen: 15 meter, dat is het zowat. Veel verder kun je niet kijken. Wel mooi, die mist.

Ik heb duidelijk geluk met mijn taxichauffeur: hij lijkt een jaar of vijfentachtig oud en heeft geen enkele tand meer in zijn mond. Dat betekent vast dat hij veel ervaring heeft in het Servische verkeer. Hij gooit mijn koffer achterin en vervolgens zijn auto in de drukte.
“Wat een mist!” roept hij uit. Hij geeft extra gas en maakt een breed handgebaar boven het stuur. “En dan die ellendige rotchauffeurs. Het wordt een ramp. In normale omstandigheden is het hier al meer een kippenhok dan een snelweg. Vanwaar kom je?”
Ik murmel iets over België en Brussel. Nee, daar is hij nooit geweest, maar hij is wel bekend met België omwille van het voetbal. Anderlecht, Standard, Beerschot, Club Brugge. Hij kust zijn vingertoppen. En ik die dacht dat die knokploegjes van bij ons hun internationale gloriedagen al lang achter zich hadden gelaten. Niet, dus. Hij kent zowaar de hele Belgische competitie uit zijn blote hoofd, eerste en tweede klasse.

Hij zwijgt even en zegt dan:
“Hoe zeg je eigenlijk ‘mist’ in het Nederlands? En in het Frans? En in het Engels?”.
Taalles in de taxi. Altijd prettig. Ik kan zelf ook wel wat onderricht gebruiken want met Servisch heb ik de grootste moeite. Ik spreek voorlopig liefst in monosyllabische substantieven. Ik weet inmiddels wel dat mist in het Servisch magla is.
“In het Engels is het fog,” leg ik hem uit. Zoals in: “There is too much fog in Belgrade.”
“Yeah!”, roept hij, “Fock.”
Nee, zeg ik, “Fog, met een g op het einde”.
“Yeah, there is too much fuck in Belgrade.”
Hij zwijgt weer even.

“En waarom ben je hier uit België? Heb je hier een meisje misschien? Of kom je voor zaken?”
Kennelijk zijn er maar twee geldige redenen om Belgrado te bezoeken. Ik zeg zaken en hij knikt enthousiast. Hijzelf heeft jaren voor een bedrijf gewerkt en mocht dan veel naar het buitenland. Naar Irak. Hij heeft vier jaar in Irak gezeten, en daarvoor een jaar in Jordanië, als buschauffeur voor een Joegoslavisch bedrijf dat specialiseerde in de bouw van hangars voor militaire luchthavens. Dat was in de jaren ’70. Hij heeft er een paar zinnen Arabisch aan overgehouden. En ook goed geld verdiend. 2500 dollar per maand. Maar ja, je weet hoe dat gaat. Broers en zussen. Vrienden. Beetje trakteren hier, beetje hulp bieden daar. Tienduizend hier, tienduizend daar. In 1986 stopte zijn bedrijf. Een paar jaar later stopte zijn land. Ach ja. En nu is hij dus al twintig jaar taxichauffeur. “En dat is een hele slechte job”. Hij lacht en petst met zijn vlakke hand op zijn wang. “Een slechte job!” En nog eens slaat hij zichzelf op de wang, harder nu.
Dan is het weer stil.

Het verkeer vertraagt. We moeten aanschuiven. Bumper tegen bumper. Langzaam naderen we het centrum. De mist lijkt op te trekken. “Ja, ja”, zegt hij, stiller nu, voor zich uit, alsof ik er niet meer ben, “There is too much fuck in Belgrade”.

Sneeuw: een vergelijkende studie

SneeuwZELFS DE BAKKERSVROUW is vriendelijk als het sneeuwt. Ik zou zelfs zeggen: ze smelt. Er zijn wel meer mensen die smelten als het sneeuwt. Alsof ze zich dan plots weer herinneren dat er zoiets bestaat als sociaal contact. Buurman met schop op straat begint spontaan te praten. Technisch: hoe pak jij dat aan, zo’n bevroren auto? Mannen onder elkaar, ijsdruppels aan de neuzen. Oude vrouwtjes met rillende hondjes houden je tegen en beginnen vrolijk te vertellen over de tweede wereldoorlog. Dat het toen nog duizend keer erger was. En dat de jonge mensen tegenwoordig tegen niets meer kunnen. Wat mij vooral opvalt is dat de kraaien in Bosvoorde zwarter zijn dan anders. Ze blinken fel en agressief. Harde beesten. Maar soms moet het: medelijden hebben met kraaien.

This is the era

IK VRAAG ME SOMS AF welke gedachten er door de West-Vlaamse boerenkop van mijn overgrootvader moeten zijn geschoten toen hij ruim een eeuw geleden (was het 1905? 1906?) met een hoop migranten de haven van New York binnenvoer. Een avonturier op zoek naar het fortuin, was hij. Een introverte, bescheiden, knokige jongeling, zo stel ik me hem voor, aangestookt door dromen van een groter bestaan in de Nieuwe Wereld. De Toekomst!

Maar ik kan me niet inbeelden dat hij goed wist wat hem daar precies te wachten zou staan. Een eeuw later hebben we er het raden naar. Zo fantastisch zal het in elk geval niet geweest zijn, want enkele jaren later stond hij terug in België, terug in het verleden, en je moest hem voor de rest van zijn leven niet te veel meer spreken van Amerika. Wat was er gebeurd? Slecht werk? Een slecht lief? Niemand die het weet. We kennen alleen het resultaat: een enkeltje New York-Koolskamp, met de staart tussen de benen, net op tijd terug thuis voor de eerste wereldoorlog. Zo gaat dat in het leven.

Wanneer ik hier vandaag door de stad loop – gestrand in New York omwille van een wolk van steen en as uit IJsland die heel Europa plots tot wel heel milieuvriendelijk vlieggedrag dwingt – heb ik ook het gevoel even in de toekomst te zijn. Niet alleen omdat dit verblijf zo ongepland en daarom zo buiten de agenda en buiten de tijd lijkt te staan. Maar ook omwille van de stad natuurlijk. Ik bedoel maar: waar anders noemt een meubelmaker zich een “couch doctor”. Ik zie een bestelwagen met dat opschrift aan de overkant van de straat. Ik zit hier een “Red eye house blend espresso” te drinken niet ver van Union Square. In een foldertje zie ik reclame voor een iPhone-applicatie waarmee je verse groentjes van de markt kunt bestellen. Gisteren nog zag ik ergens een grote graffiti met de simpele boodschap: This is the era. De toekomst dus.

Maar vergis je niet, hier in de toekomst valt er ook best wel veel verlangen naar het verleden te ontwaren. Op Union Square is er een groentenmarkt die heel hard zijn best doet om op een spontane verzameling marktkramers in een Zuid-Frans dorpje te lijken. Hier heeft de accordeonspeler natuurlijk wel een PhD in critical theory van NYU. En de Lower East Side met zijn Joodse deli’s lijkt steeds meer een hypertrendy en multiculturele versie van het vooroorlogse Warschau. De kopjes zijn schattig antiek, en je kunt er – iPad, Kindle en e-reader in de hand – handgemaakte knishes kopen bij Yonah Schimmel. De enige slogan in zijn winkel is: Good Food. Lekker ouderwets. Maar hij heeft wel een website.

Knipperen in 3D

IK MOET NET EVEN DENKEN aan dat sympathieke boek over veerkracht dat ik enkele maanden geleden kreeg. Ik zit namelijk op de website van de New York Review of Books weer eens een artikel van Tony Judt te lezen – het zoveelste stuk van zijn hand dat in de afgelopen weken en maanden in dat tijdschrift verscheen. Judt is een bekende historicus aan NYU, schreef enkele jaren geleden het magistrale Postwar (de geschiedenis van Europa na de tweede wereldoorlog). Nu is hij een stervend man. Al een tijdje lijdt hij aan amyotrofische laterale sclerose, een ongeneeselijke ziekte die geleidelijk alle spieren aantast. Judt is nu al volledig verlamd en kan alleen via een machine ademen. Spreken kan hij nog, maar met moeite. Binnenkort zal hij enkel nog met zijn ogen kunnen knipperen. Maar voorlopig lijkt hij actiever dan ooit. Hij doceert nog (bij hem thuis), geeft vanuit zijn rolstoel en vanonder een dekentje publieke lezingen (over sociaaldemocratie onder meer) en schrijft (dicteert) nog steeds erg goede artikels – korte memoires en politieke stukken, en zelfs een heel nieuw boek. Wie is hier eigenlijk verlamd, zal ik bij mijn volgende opstoot van uitstelgedrag maar weer eens denken.

En wat een veerkracht dus. Zo’n ziekte: je mag het je niet inbeelden. Je kunt het je niet inbeelden. Hoe ga je daarmee om? Zelf verschaft Judt daar niet al te veel uitleg over. Alleen in Night doet hij dat, een aangrijpende korte schets waarin hij vertelt hoe hij zijn nachten doorbrengt: wakker meestal, wachtend op de ochtend, onbeweeglijk, ingezwachteld tegen de kou, liggend als een mummie – en hoewel het allemaal haarscherp op papier staat, zal het waarschijnlijk een ruwe benadering zijn van de nachtmerrie die het in werkelijkheid is.

Wat drijft Judt om nog zo heftig te schrijven? Communicatiedrift? Heeft hij op de valreep nog een boel te melden? Het kan ook een houvast zijn, een poging om niet herleid te worden tot dat ene defecte lichaam. Een demonstratie van de immense kracht van zijn verbeelding ook. Judt zal het uiteindelijk niet halen. Maar zijn werk laat hem toe om, al is het maar even, voort te doen en een leven te construeren dat op een leven lijkt. Zijn teksten zijn misschien wel de beste sinds jaren – het zijn eerlijke stukken, ontdaan van academisch jargon, zonder compromissen.

Het is waarschijnlijk tekenend voor de staat van de media dat ik net na dat stuk van Judt iets in een krant lees over 3D-televisietoestellen. De nieuwe trend, schijnbaar. Tja. Een mens kan veel met zijn verbeelding, maar liefst nog besteedt hij die uit aan een paar televisiemakers. Korte tijd geleden moesten we met z’n allen de cinemazaal in huis halen via een breedbeeldscherm, vervolgens moest je de poriën van acteurs kunnen tellen via High Definition, en nu moeten we al de hele wereld zelf driedimensionaal voor ons op de salontafel geserveerd krijgen. Ik wil best geloven dat we er goed aan doen om de nieuwste technologieën te omarmen in het kader van het redden van deze aardbol, maar dit lijkt me anders toch niet bepaald een constructieve zet. Ik kies voor een tochtje naar de bioscoop en een café met vrienden achteraf. Straks zitten we allemaal als verlamd in onze sofa en hebben we niets anders meer te doen dan te knipperen naar De Kampioenen in drie dimensies. 3D-televisie spectaculair? Vergeet het. Wat als we nu eens naar buiten zouden gaan, even rond ons zouden voelen en kijken, en echt zouden beseffen: verdomme, de hele werkelijkheid is al in 3D!

Na de kou

HIER ZITTEN WE dan. De wereld vergaat in halve stormen en hele treinrampen. Het klimaat warmt op en de winters duren langer dan ooit. Zou Eric Hobsbawm nog altijd denken dat de twintigste eeuw een age of extremes was? Wat dan te denken van deze eenentwintigste? Ik lees hier net dat ze in Dubai een toren van 828 meter hebben neergepoot waarvan nu blijkt dat de liften niet eens werken. Allemaal te voet naar het hiernamaals.

Maar goed, laat ons rustig panikeren. Vele dingen gaan nog goed. De natuur in Bosvoorde heeft zich de afgelopen maanden al bij al nog redelijk gedragen. De vossen en de vogels knabbelden rustig voort aan de rand van de stad. En als er niet te veel met zout werd gestrooid, was de sneeuw nog te pruimen ook. Natuurlijk, het was koud. En ja, mijn kamerplanten zijn bleek geworden van het magere licht en verward geraakt in hun stille gedachten. En zeker, al een hele winter doe ik pogingen om voluit romantisch te doen. Brood bakken bijvoorbeeld. Of door het raam van de trein naar de Brusselse graffiti kijken (en naar de toch wel erg toegetakelde stad die voorbijglijdt) terwijl ik naar de Scandinavische eenzaamheid van Nils Petter Molvaer luister op mijn ipod. Of onder een deken Antonio Gamoneda’s Boek van de Kou lezen, terwijl ik er telkens weer in blijf steken, erin vastvries, ondergesneeuwd geraak.

Maar, buiten zit het leven klaar. Het Zoniënwoud bereidt zich voor op de grote sprong voorwaarts. Dat voel je. Onder de oude bladeren broeit er iets. Hoe kleurloos het er ook uitziet aan het oppervlak, ergens, diep daaronder, is het warm. Koortsig.

bladeren
Wat mij doet denken aan dit.

dichterscollectief
Dit is het werk van het Brusselse dichterscollectief in volle ontwikkeling. Zowat de hele winter hebben wij gedichten zitten schrijven. Warm en klein bij elkaar in l’Ultime Atome. We schrijven samen, naast elkaar, door elkaar heen, voor elkaar. Het is chaos en het einde is nog niet in zicht. Maar dat langzame proces zal binnen enkele maanden uitmonden in een voorstelling die tegelijk een rit is door Brussel met de tram. Dat is het plan althans. Wie dan meerijdt en uit het raam kijkt, zal een hele andere stad zien.

Nu liggen de oude snippers nog door elkaar. Maar ook daar, onder dat alles, broeit er iets.

Zenoefening

WACHT GEDULDIG OP de trein in het station van Bosvoorde. Het is ochtend. De vertraging is eindeloos.

Kijk wat rond. Zie de lege sporen. Staar in de verte.

Bewonder de plaatselijke kunstverzameling.

Wacht verder. Luister aandachtig naar de afwezigheid van aankondigingen.

Daar komt de trein. Eindelijk. Adem opgelucht.

Hij stuift voorbij.

Blijf rustig. Zucht. Begin dan opnieuw bij het begin.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.